Twee glijbanen naast elkaar op een speelterrein
Foto: GT1976, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons

De glijbaan

De glijbaan is het toestel dat kinderen het eerst herkennen en het langst volhouden. Een peuter wil hem twintig keer na elkaar, een kind van acht wil hem op zijn buik, en iedereen wil hem tegelijk.

Bij 593 speeltuinen op onze kaart is er een genoteerd, net na de schommel en het algemene klimtoestel.

Vier soorten

  • De aangebouwde glijbaan. Vast aan een klimtoestel of speelhuisje, en verreweg het meest voorkomend. Het klimmen erheen is de helft van het spel.
  • De vrijstaande glijbaan. Een trap en een glijvlak, meer niet. Vaak de laagste en daarom de eerste waar een peuter alleen op kan.
  • De tunnelglijbaan. Dicht, en daardoor het spannendst. Ook het type waarbij je niet ziet of er nog iemand in zit, en dat is precies waar het botst.
  • De heuvelglijbaan. In een talud gebouwd, zonder ladder en zonder valhoogte. Dit is het veiligste type dat er bestaat: je kan er letterlijk niet vanaf vallen. Ze duiken steeds vaker op in natuurspeeltuinen. Zie wat is een natuurspeeltuin.

Waar er veel staan

Waregem heeft er de meeste met 31, daarna Brugge met 28, Oostende met 22 en Turnhout met 20. Dat zijn ook de gemeenten waarvan we het meest weten, niet per se de gemeenten met de meeste glijbanen — zie welke toestellen staan er.

Het ene kledingstuk

Alles met een koord om de hals gaat uit voor een kind een glijbaan op gaat: een hoodie met een trekkoord, een sjaal, een fietshelm met een kinband, een tasje over de schouder. Een koord dat bovenaan blijft haken terwijl het lichaam naar beneden gaat, is het ernstigste ongeval dat op een speeltuin kan gebeuren, en het is ook het makkelijkst te voorkomen.

Zie ook wat trek je aan naar de speeltuin.

Verder

  • Eén tegelijk, en pas glijden als de vorige weg is. Bij een tunnelglijbaan moet je dat afdwingen, want de wachtende ziet niets.
  • Nooit tegen de glijbaan op klimmen terwijl er iemand bovenaan staat. Dat is de klassieke botsing.
  • Niet met z’n tweeën, en zeker niet met een peuter op schoot. Dat lijkt veiliger en is het niet: bij twee personen komen de beentjes van de kleinste vast te zitten tegen de rand. Dat is een van de meest voorkomende beenbreuken op speeltuinen.
  • Kijk naar de landingszone. Onderaan hoort zand, houtsnippers of rubber te liggen, niet een uitgesleten kuil met aangestampte aarde. Zie de ondergrond onder de toestellen.
  • In de zomer eerst voelen. Een metalen glijbaan in de volle zon brandt. Zie naar de speeltuin in de zomer.
  • Na regen blijft er water in liggen, en dat merk je pas met een natte broek. Een doek in de tas lost dat op. Zie speeltuin bij regen en in de winter.

Vanaf welke leeftijd alleen

Een kind kan alleen glijden zodra het zelfstandig de trap op komt en bovenaan kan gaan zitten zonder te wankelen — meestal rond twee, soms later. Tot dan is de werkbare vorm: jij staat aan de zijkant halverwege, niet onderaan te wachten. Vanaf halverwege kan je nog ingrijpen.

Met een baby hoort een glijbaan er nog niet bij. Zie naar de speeltuin met een baby en met een peuter.

Zoek je een speeltuin met een glijbaan in de buurt, kijk dan bij jou in de buurt en filter op toestellen. Ontbreekt er een, dan kan je dat onderaan die speeltuinpagina aanvullen.

Verder kijken

Speeltuinen in de gemeenten uit dit artikel

Zie ook

Meer uit de Speelgids