Het klimtoestel
Het klimtoestel is het toestel waar ouders het minst gerust op zijn en kinderen het langst mee bezig blijven. Het is ook het meest voorkomende van het land: bij 685 speeltuinen op onze kaart staat er een, meer dan schommels (644) en glijbanen (593).
Tel je er de klimrekken (220), de klimnetten (67) en de klimmuren (20) bij, dan is er bij 866 speeltuinen iets om in te klimmen.
Wat is wat
- Het klimtoestel of speeltoren. De grote houten of stalen constructie met een platform, een trap of ladder, meestal een glijbaan eraan en soms een brug naar een tweede toren. Dit is wat bij de meeste speeltuinen in het midden staat.
- Het klimrek. De losse constructie van buizen of balken zonder platform: iglo’s, ladders, driehoeken. Vaak het oudste toestel van het terrein.
- Het klimnet. Een piramide of vlak van gespannen touwen. Geeft mee onder je voeten, waardoor kinderen er langzamer en voorzichtiger op bewegen dan op staal — precies de bedoeling.
- De klimmuur. Een schuine wand met grepen, meestal laag en meestal aan de zijkant van een toren. Er staan er maar 20 op de kaart, waarvan 6 in Oostende.
Waar er veel staan: Brugge met 40 klimtoestellen, Gent met 30, Waregem met 29 en Oostende met 25. Zie welke toestellen staan er.
Hoogte is niet het punt, de ondergrond wel
De reflex van elke ouder is naar de hoogte kijken. Voor de veiligheidsnorm is dat maar de helft van het verhaal: een toestel mag hoger zijn naarmate wat eronder ligt de val beter opvangt. Een toren van twee meter boven houtsnippers is verantwoord, dezelfde toren boven aangestampte aarde niet.
Wat je dus bekijkt voor je kind naar boven gaat, is de grond. Ligt er zand, houtsnippers, boomschors of rubber, en ligt het er nog dik genoeg — niet weggespeeld tot de harde laag eronder, wat onder de meest gebruikte plekken het eerst gebeurt. Zie de ondergrond onder de toestellen.
Naar boven gaat vanzelf, naar beneden niet
De regel die de meeste klimtoestelongelukken verklaart: kinderen klimmen hoger dan ze zelf weer af raken. Ze komen omhoog op adrenaline en blijven dan bovenaan staan, en op dat punt wordt er geroepen.
Wat werkt is niet meeklimmen maar beneden blijven en zeggen waar de volgende voet moet. Een kind dat zelf naar beneden komt, heeft iets geleerd; een kind dat eraf getild wordt, klimt morgen weer te hoog.
De omgekeerde regel geldt ook: laat een kind niet op een toestel tillen waar het zelf niet op raakt. Zelf kunnen opklimmen is de eerlijkste test of het er thuishoort. Zie de leeftijd op een speeltoestel.
Verder
- Geen koorden, sjaals of fietshelmen. Net als bij de glijbaan: alles wat kan blijven haken gaat uit. Zie de glijbaan.
- Natte balken zijn glad, en houten treden na regen het meest. Zie speeltuin bij regen en in de winter.
- Kijk naar splinters en losse bouten op oudere houten torens. Zie een kapot toestel melden.
- Met een peuter erbij is de kleuterversie de bedoeling, niet de grote toren met de kleine achterop. Zie met een groot en een klein kind.
Zoek je een speeltuin met een klimtoestel in de buurt, kijk dan bij jou in de buurt en filter op toestellen. Ontbreekt er een, dan kan je dat onderaan die speeltuinpagina aanvullen.