Wie onderhoudt de speeltuin?
De glijbaan staat er, dus iemand heeft ze gekocht, geplaatst, gekeurd en zal ze ooit weghalen. Wie die iemand is, bepaalt hoe snel een kapotte schommel hersteld raakt — en of er na de sloop iets nieuws komt.
Bijna altijd de gemeente
Het overgrote deel van de publieke speelterreinen in België is van de gemeente, en valt onder de groendienst of de dienst openbare werken. Daarnaast bestaan er nog een paar soorten eigenaars:
- Provincies, voor de speelterreinen in provinciedomeinen. Zie betalende speelparken en provinciedomeinen.
- Sociale huisvestingsmaatschappijen, voor de pleintjes tussen de blokken.
- Scholen en parochies, voor terreinen die soms buiten de uren open zijn. Zie spelen op de speelplaats van de school.
- Natuur- en bosbeheerders, voor speelzones en speelbossen. Zie spelen in het bos.
Bij 775 van de 7.454 speeltuinen op onze kaart staat er een beheerder ingevuld — meestal een stads- of gemeentebestuur. Bij de rest weten we het simpelweg niet, want het staat nergens op het terrein en zelden in OpenStreetMap.
Wat een uitbater moet doen
In België regelt een koninklijk besluit uit 2001 de uitbating van speelterreinen. De kern ervan: wie een speelterrein openstelt, moet de risico’s ervan in kaart brengen, een onderhouds- en inspectieschema hebben, en dat ook uitvoeren en bijhouden. De Europese normen EN 1176 en EN 1177 beschrijven daarbij hoe toestellen en valondergronden er technisch uit horen te zien.
In de praktijk komt dat neer op drie soorten controle:
- Een visuele ronde, vaak wekelijks tot maandelijks: glas, afval, losse bouten, kapotte onderdelen.
- Een functionele controle een paar keer per jaar: slijtage aan kettingen, lagers, verankeringen, de diepte van het zand.
- Een jaarlijkse hoofdinspectie, doorgaans door een externe keurder, met een verslag dat de gemeente moet kunnen voorleggen.
Dat verslag is geen geheim document. Als je echt wil weten wanneer het plein in je straat laatst gekeurd is, kan je dat bij de gemeente opvragen.
Waarom een toestel verdwijnt en niet terugkomt
Speeltoestellen gaan niet eeuwig mee: houten constructies rotten aan de voet, metalen delen slijten, en een toestel dat niet meer aan de norm te brengen is, mag niet blijven staan. Een gemeente die het geld niet vindt voor een vervanger, haalt het weg en laat een lege plek achter. Dat is zelden een beleidskeuze tegen spelen — het is een begroting die op andere posten drukt.
De lege plek blijft alleen leeg zolang niemand ernaar vraagt. Zie een nieuwe speeltuin vragen aan je gemeente.
Waar je terechtkomt met een melding
Een kapot toestel meld je bij de gemeente, niet bij ons: zij zijn de uitbater en zij herstellen. De meeste gemeenten hebben daar een meldingsformulier voor, en een foto met de locatie doet meer dan drie alinea’s tekst. Zie een kapot toestel melden.
Wat je hier wél kan doen: aanvullen wat er staat. Van de meeste speeltuinen kennen we alleen de ligging — de toestellen, de omheining, de ondergrond en de beheerder ontbreken. Dat vul je aan op de pagina van de speeltuin zelf, en het staat er voor de volgende ouder.
Kort samengevat
De gemeente betaalt, keurt en herstelt. Jij bent degene die ziet dat er iets stuk is, want jij staat er elke week en de keurder één keer per jaar.
Zoek de speeltuinen in jouw gemeente en kijk wat er over bekend is.